Een vader belandt na een scheiding in een juridisch circus. Ouderverstoting, valse beschuldigingen en een falend rechtssysteem. Kafka zou jaloers zijn.
Wat hier volgt is niet bedoeld als pleidooi voor mijn eigen onschuld, daar hebben de rechters in twee instanties iets over gevonden en in die wedstrijd valt niets meer te winnen. Het is ook geen wraakstuk, hoewel ik begrijp dat iemand die er minder lang over heeft nagedacht het zo zou kunnen lezen. Dit is iets anders. Het is een poging om te beschrijven hoe een Nederlandse rechtsstaat in de praktijk werkt, wat zij meeweegt en wat zij naast zich neerlegt, en waarom dat er wellicht ook voor jou ooit toe gaat doen.
Er zit een datum onder dit verhaal. Mei 2019, want toen begon het. Begin 2025, want toen werd het in cassatie geschoten. En mei 2026, want sinds vorige week wachten we op de Hoge Raad. Daar tussenin liggen zeven jaar, twee rechtszittingen, een hoger beroep, vier therapieverslagen, één Veilig Thuis-rapport, één Raad voor de Kinderbescherming-onderzoek, en een aantal vergelijkbare zedendossiers in het nieuws die mij telkens opnieuw aan het denken zetten over wat de juridische verschillen tussen die zaken nu eigenlijk zijn.
De toon is wat zij is. Onderhuidse boosheid, hier en daar zelfspot, niet altijd vrolijk. Niets is opgepoetst en niets is verzonnen. Voor de lezers die hier toevallig zijn beland, een waarschuwing, dit gaat over een vader, een echtscheiding, een aangifte van een kind, en een rechtssysteem dat in mijn beleving ergens onderweg de afslag heeft gemist. Voor de lezers die mij kennen, je weet voldoende.
In mei en juni 2019 viel het doek. Niet plotseling, niet luidruchtig, met de afgemeten beslistheid waarmee mensen iets uitspreken dat ze maandenlang in stilte hebben uitgerekend. Mijn ex maakte duidelijk dat het wat haar betreft mooi was geweest, en niet veel later bleek mijn broer aanzienlijk eerder in beeld te zijn geweest dan ik destijds dacht. Dat soort dingen ontdek je achteraf, zoals zoveel.
Ik bleef nog even hangen, omhuld in lethargie en zelfmedelijden. Ik woonde onder hetzelfde dak, maar voelde me meer een logé in mijn eigen leven. Pas toen ergens diep vanbinnen een restje zelfrespect zich opnieuw meldde, pakte ik mijn spullen en verhuisde naar een chaletje. De kinderen bleven achter bij hun moeder en haar nieuwe, laten we het zo noemen, partner.
We leefden maandenlang gescheiden, maar ik hield het financiële schip drijvend. Toen het stof neersloeg, stelden we een convenant op. Dat was, achteraf gezien, een onderhandeling van de zenuwen. Mijn ex vond het vanzelfsprekend dat ik alle vaste lasten betaalde en 80% van onze schulden droeg. Het kostte juridisch armworstelen tot er in oktober 2019 een aanvullend convenant lag waarin we ieder 50% op ons namen, want je was tenslotte getrouwd, dus 50/50 is wettelijk de norm. Vanaf dat moment begon iets te kantelen.
Het contact met de kinderen bleef tot november 2019 grotendeels intact. Ik paste op, ik nam ze mee, mijn ex appte over de boodschappen. Tegen december stond ik op de verjaardag van mijn jongste voor een dichte deur. Dat is, als ik er nu op terugkijk, het moment waarop alles wat erna kwam al was begonnen.
Voor wie liever de feiten ziet voordat de toga’s gaan rondvliegen. Geen interpretatie, gewoon data.
Onthoud die woorden, “niets geks is gebeurd”. Geschreven door dezelfde vrouw die vijf maanden later aangifte zou doen.
De relatieve vrede begon te knarsen toen er geruchten opdoken. Niet zomaar geruchten, het soort dat je sociaal kapotmaakt in een christelijk dorp. Het type dat alleen door uitgesproken te worden al voldoende is om de rest van je leven te bepalen. Wat de geruchten precies inhielden laat ik aan je verbeelding over, je kunt veilig aannemen dat het uit de categorie ‘zo erg als denkbaar’ komt. Toen ik mijn ex ermee confronteerde, verslechterde onze band verder en dienden de eerste symptomen van ouderverstoting zich aan.
Borderline? Narcisme? Officiëel gediagnosticeerd is het nooit, want zo iemand laat zich niet onderzoeken. Toch doken er steeds meer mensen op, waaronder de ex van mijn broer, die hetzelfde fluisterden. Dat zijn observaties van leken, niet van psychiaters, en ze hebben juridisch geen enkele waarde. Ze hadden alleen verklarende waarde voor mij persoonlijk, in de zin dat ze patronen herkenbaar maakten die ik tot dan toe had geprobeerd te verklaren met goedwillendheid.
In de rechtszaal mocht ik mijn ex natuurlijk niet persoonlijk aanvallen, dat zou “ten koste gaan van de kinderen”. Ondertussen strooide zij beschuldigingen die het tegenovergestelde effect hadden.
We deelden in die periode nog steeds één gezamenlijke rekening. Toen de inkomsten terugliepen, weigerde mijn ex iedere verantwoordelijkheid. Ik ving het op tot ook ik dreigde te bezwijken. Halverwege 2020 stapte ik uit het beheer, en liet haar en haar nieuwe vlam het verder uitzoeken.
De Nederlandse rechtspraak staat zogenaamd hoog aangeschreven. Ondertussen ontdekte ik twee blinde vlekken die op elkaar lijken.
Het strafrecht, waar je als verdachte met een achterstand begint. Vanaf juni 2020 was ik officieel verdachte, en vanaf dat moment veranderde iets in hoe instanties naar mij keken. Een aangifte van smaad en laster die ik zelf indiende belandde op de wachtlijst, want eerst even afwachten hoe de strafzaak afliep. Wat een handige manier om iemand monddood te maken, hem onderwijl een verdachte noemen.
En het familierecht, waar vaders gemiddeld het onderspit delven. Sancties voor het weigeren van omgangsregelingen bestaan in de praktijk niet. Ouderverstoting wordt in Nederland niet erkend als geestelijke kindermishandeling, terwijl in de Verenigde Staten daarop celstraffen van twee tot vier jaar staan. Het verschil zit niet in de feiten, maar in de juridische bereidheid om de feiten te benoemen.
Ik ben in deze gezellige familierechtssoap met verbijsterend gemak het gezag over mijn eigen kinderen kwijtgeraakt. De kinderen, op dat moment al een tijd in een bepaalde verteltrant geherprogrammeerd, waren volgens Veilig Thuis, het Leger des Heils en de Raad voor de Kinderbescherming nog niet toe aan omgang met vader. De vader zelf, wel toe aan omgang, telde minder zwaar. Wat de ene instantie opschreef, nam de volgende over, en wat de volgende overnam werd bij de derde een vaststaand gegeven. Niemand die ergens halverwege de keten de vraag stelde of het klopte. Zo wordt een verhaal waar, niet doordat het waar is, maar doordat het vaak genoeg is doorgegeven.
Het leek me destijds nog een goed idee om de rechter voorzichtig te wijzen op het feit dat moeder mogelijk tekenen van een persoonlijkheidsstoornis vertoonde. Dat werd me streng afgeraden. Net als mijn neiging om de term ‘ouderverstoting’ uit te spreken, want dat zou de sfeer maar verpesten. Dus zat ik daar, netjes wachtend tot de advocaat het juiste zou zeggen. Wat ze ook wel zei, maar het kon de uitkomst niet meer kantelen.
De beschuldigingen dat ik agressief zou zijn, werden ondertussen met open armen ontvangen. Mijn ontkenning daarvan kreeg ongeveer dezelfde behandeling als een verkeersbord in een spelletje. Een verweerschrift van mijn raadsman uit juni 2020, dat letterlijk benoemt dat van een agressieprobleem of dreigingen met zelfmoord geen sprake is, kwam er ook niet doorheen. Ik meldde dat braaf bij het Leger des Heils, die met de empathie van een printer in slaapstand verklaarden, “Waarheidsvinding? Nee, daar doen wij niet aan. Wij noteren alleen en sturen het door naar de rechter ten behoeve van het dossier.” Bedankt.
In het dossier zit de verklaring van een vrouw die mijn ex veertien jaar lang haar beste vriendin had genoemd. Op enig moment heeft die vriendin haar gewaarschuwd. Niet uit kwaadaardigheid, gewoon omdat zij wat zag wat ook andere mensen in de directe omgeving begonnen te zien. Het resultaat was dat mijn ex haar van de ene op de andere dag uit haar leven zette. Veertien jaar vriendschap, klaar.
Die vriendin werd in maart 2021 gehoord door de rechter-commissaris. Wat zij verklaarde paste niet bij het verhaal in de tenlastelegging. Het paste wel bij wat ik al die tijd al had gezegd over de context waarin de aangifte was ontstaan. Een onafhankelijke deskundige die later in opdracht van het OM de verklaring van mijn oudste dochter beoordeelde, noemde die getuigenis expliciet als bevestiging dat de aangifte plaatsvond binnen een conflictueuze scheidingscontext, met een verhoogd risico op beïnvloeding van een kind.
Een deskundige nam het serieus, zou je denken. Toch komt deze getuigenverklaring in de uiteindelijke bewijsweging van rechtbank en hof nauwelijks terug. Veertien jaar vriendschap, een verklaring die in het dossier zit, een deskundige die haar serieus neemt, en alsnog onvoldoende gewicht.
Er is een tweede laag aan dit verhaal die het pijnlijker maakt. Twee weken voordat die getuige bij de rechter-commissaris zou verschijnen, ontstond er een nachtelijke WhatsApp-uitwisseling tussen mijn ex en haar voormalige vriendin. Mijn ex was er, zo bleek, achter gekomen dat de twee kort daarvoor nog contact hadden gehad, en probeerde te achterhalen wat er was gezegd. In de uren die volgden gaf mijn ex haar voormalige vriendin een reeks adviezen mee voor het verhoor. Adviezen als “hou je aan de feiten en ga niet iets invullen als je het niet meer weet”. Op zichzelf onschuldig. In context iets anders. Dit is een aangeefster die haar voormalige beste vriendin twee weken voor een verhoor bij de rechter-commissaris vertelt wat zij wel of niet zou moeten zeggen. Het soort sturing dat in een goed dossier reden tot extra zorgvuldigheid zou moeten zijn.
Mocht je denken dat dit alleen mij overkomt, blader langs een Belgische zaak waar de logica met langdurig verlof is, of het dossier van Dean Saunders. Allebei tragisch op een manier die in de juridische literatuur niet vaak terugkomt. En nee, die Belgische casus is niet één-op-één met mij te vergelijken, voor de liefhebbers van nuance met een vergrootglas, maar goed, “iedere zaak is uniek”, roepen ze dan. Tot je de patronen begint te herkennen en het meer op een mal lijkt dan op maatwerk.
Daarbovenop is er de favoriete instelling van dit land, de Publieke Opinie, afdeling Entertainment. Een paar voorbeelden van de afgelopen jaren.
Marco Borsato. Eerst collectief gesloopt in de media, half Nederland speelde voor rechter, getuige en beul tegelijk. Recent vrijgesproken omdat er geen steunbewijs is gevonden. Het koor zingt vrolijk door. Nu hoor je ineens dat hij “best weer mag gaan optreden”, alsof hij na zo’n publieke steniging staat te trappelen om liedjes te zingen voor dezelfde mensen die hem eerder symbolisch het plein over sleepten. Ali B en Peter Gillis kennen hun eigen mediastormen, hun eigen talkshow-tribunalen, hun eigen wisselende uitkomsten. Wat overblijft, is een publiek dat al een oordeel klaar had voordat de eerste zitting begon.
Dan, deze week, een nieuwsbericht dat me aan het denken zette. Een 45-jarige zwemleraar uit Sint-Oedenrode, op zijn apparaten 100.000 foto’s en 300 video’s met kinderporno. Hij bekent alles. Dagelijks, dwangmatig zoekgedrag op het darkweb, jarenlang. Het OM eist 5,5 maanden celstraf, precies de tijd die hij al in voorarrest had gezeten, plus negen maanden voorwaardelijk. Het argument, behandeling is belangrijker dan een celstraf. Hij mag zijn rechtszaak in vrijheid afwachten.
Lees die laatste zin nog eens. Bekend, 100.000 beelden, in vrijheid afwachten omdat behandeling belangrijker is dan celstraf.
Dat is, hoe je het ook wendt of keert, een opvallend andere weging dan ik in mijn zaak heb meegemaakt. Geen forensisch bewijs in mijn dossier, een door de rechter zelf erkende conflict-context, een deskundige die op die context wijst, een vriendin van veertien jaar die getuigt over die context, en een kinderverklaring die over een periode van vijf maanden steeds verder uitdijde. Uitkomst, 24 maanden onvoorwaardelijk. Zonder enige overweging dat ook bij mij behandeling al jaren liep en effect had.
Twee zaken, ik snap het, zijn nooit volledig vergelijkbaar. Maar wie deze twee naast elkaar legt, krijgt eerlijk geen antwoord op de vraag waar de logica zit. En de stilte op die vraag is ongemakkelijker dan welke uitkomst dan ook.
Dan is er nog Andries Bik. Die volg ik op social media en zijn boek staat in de kast, want als je toch naar juridische tragikomedie kijkt, kan je er net zo goed een abonnement op nemen. Wat opvalt is hoeveel herkenning er zit in zijn beschrijving van hoe het Openbaar Ministerie soms werkt. Het autoritaire toontje van, wat wij hier vertellen, zo is het gebeurd en niet anders. Wat je ook aandraagt ter verdediging, het mag niet baten. Het script ligt al klaar, jij bent alleen nodig als figurant.
Mijn ogen zijn geopend. Justitie beschikt over enorme middelen, gefinancierd door de belastingbetaler, en is daarmee oppermachtig. Maar tegelijkertijd heb ik ervaren hoe weinig menselijks er soms overblijft binnen de Nederlandse rechterlijke macht. Leugens, bedrog en zelfs het verdwijnen van bewijsmateriaal lijken daar geen onbekende begrippen.Herschreven naar het boek van Andries Bik
Voor wie denkt dat dit ver van zijn bed is, in mijn dossier was er een audioverhoor van 76 minuten, waarvan oorspronkelijk maar een kwart op papier was uitgewerkt. Pas na herhaald aandringen van mijn advocaat, via de rechter, is dat verhoor alsnog volledig op papier gezet en aan het dossier toegevoegd. Dat het OM dat liever niet wilde, is mild geformuleerd. In dat verhoor zaten passages die de bewijspositie complexer maakten dan in de oorspronkelijke samenvatting was terug te vinden.
Een laatste blinde vlek, eentje die buiten de rechtszaal speelt maar evenzeer pijn doet. Na alle chaos had ik schoorvoetend weer mensen toegelaten in mijn leven. Langzaam vertrouwen opgebouwd, voorzichtig, want ik wist hoe het ook kon lopen.
En toch liep het weer mis. Er dook een dossier op, onbewerkt en uit zijn verband, alsof het daar niet vijf jaar lang voor had gelegen. Vijf jaar om het op te vragen, te lezen, vragen te stellen. Maar nee, dat moest opeens nu, en uitgerekend nu werd dat gestencilde papier overtuigender geacht dan vijf jaar aan gesprekken aan dezelfde keukentafel. Wat al die tijd was uitgelegd en toegelicht, deed er ineens niet meer toe. Een stempel won het van een mens.
Wat me daarvan het langst is bijgebleven, is hoe snel het kan omslaan. Vertrouwen blijkt soms dunner dan je hoopt. Ik hang er bewust geen namen en geen oordeel aan; dit gaat over wat het met mij deed, niet over wie.
Mijn partner en ik weten wat er wél is gebeurd, en daar doen we het mee. Wat overblijft is een kleinere, stillere kring. Mensen die bleven staan toen het stormde. Dat is, achteraf, ruim genoeg.
In de zaak die tegen mij liep, kon een rechter eisen honoreren waar geen forensisch bewijs onder lag. Dossier, check. Getuigen, check. Redelijke twijfel? Geen tijd voor.
Mijn spijtbrief, geschreven in een wanhopige poging om de relatie te redden, werd opgewaardeerd tot een schuldbekentenis. Iemand die kapot is van een relatie die hem elf jaar lang heeft uitgemergeld zonder dat hij het zelf doorhad, schrijft niet altijd verstandig. Dat is menselijk drama. In de rechtbank werd het bewijs.
In die brief stond verder dat ik me diep schaamde voor iets wat een statistische meerderheid van de bevolking doet, in eigen tijd, achter een gesloten deur, zonder dat iemand er iets van merkt. Niets shockerends dus, behalve in een dorp waar het ophangen van de was op zondag al verdacht oogt. Christelijk nest. Je lichaam is heilig, alleen voor je partner, alles wat daarvan afwijkt is per definitie zonde. Ik schreef die brief in volle overtuiging, vol spijt, om te redden wat niet meer te redden was. Achteraf naïef, zeker als je later begrijpt dat broer al langer in beeld was.
Wat ik destijds niet begreep, is hoezeer die brief later tegen me gebruikt zou worden. Want ja, als je schrijft dat je je schaamt voor X, dan heb je in een bepaalde lezing automatisch ook alles gedaan wat iemand anders ooit over je heeft verzonnen onder Y, Z, en de rest van het alfabet. Zo werkt logica niet, maar zo werkte het in deze zaak wel.
Eind december 2019 kreeg ik een eerste aankondiging van wat zou komen, netjes in de mail, in de toon van een klantenservice-ultimatum:
Bijna drie jaar later, op 1 september 2022, kreeg ik een vergelijkbaar aanbod, in een ander register:
Twee mails, drie jaar uit elkaar, hetzelfde mechaniek. Doe wat ik wil, of ik zorg dat het je iets kost. Een aangifte in 2019, alimentatie in 2022. Wie deze twee naast elkaar legt, ziet een patroon dat niet bij toeval terugkomt. Dit was ook de toon waarin de zittingen werden voorbereid. De rechtbank vond onze correcties op het Veilig Thuis-rapport (opgesteld in april, pas gedeeld in augustus 2020) destijds “niet geloofwaardig”. Was de mail van december 2019 niet chique genoeg geformuleerd om bewijswaarde te hebben? Of was het probleem dat het letterlijk zwart-op-wit stond, en dus lastig te negeren?
In deze hele bewijsconstructie kreeg iets nauwelijks gewicht, en dat is precies wat er parallel speelde. Vanaf mei 2019, lang voordat van een aangifte of een dossier sprake was, liep ik bij een psychosociaal therapeut. Niet onder dwang, niet uit strategische overweging, simpelweg omdat ik in de week dat dit incident thuis plaatsvond, besefte dat ik het zonder hulp niet ging redden. Het traject loopt op het moment van schrijven nog steeds, in een lichtere vorm.
Mijn therapeut heeft op enig moment een schriftelijke verklaring opgesteld die aan het strafdossier is toegevoegd. In zijn woorden, samengevat in de mijne, zag hij in mei 2019 een man die zichzelf jarenlang had weggecijferd, sterk aangepast leefde aan de verwachtingen van zijn omgeving, en moeite had met het aangeven van grenzen en het uiten van wat hij voelde of wilde. Hij beschrijft kenmerken die ook bij een vermijdende persoonlijkheidsstoornis voorkomen. Het wegredeneren van die spanningen had effect op mijn gedrag, dat is wat in mei 2019 op een ongelukkige manier naar buiten kwam.
Wat hij me liet zien, is dat ik jarenlang een bal onder water had geduwd. Dat houd je een tijd vol, maar een bal onder water komt altijd een keer boven, dat is natuurkunde, geen karakterfout. De relatie was niet gezond. Ik gaf nergens grenzen aan, liet over me heen lopen en cijferde mezelf weg tot er weinig van mezelf over was. Bij gebrek aan genegenheid ging ik langzaam stuk, en ik had het lang niet eens door. Dat is geen excuus voor wat dan ook, het is de context waarin ik op een gegeven moment besefte dat ik hulp nodig had, en die ook zocht.
Wat hij daarnaast schrijft, en wat in de bewijsweging van de rechter geen rol heeft gespeeld, is dat ik in deze hele periode niet primair tégen mijn ex aan het vechten was. Ik vocht primair vóór mijn kinderen. Dat is geen mooi-weer-formulering, dat is een terugkerend element in mijn behandeling. Wraak was nooit het doel. Toegang tot mijn jongste twee was het doel. Dat doel hebben we nooit bereikt.
De rechtbank koos voor een andere lezing van de spijtbrief, die brief was een bekentenis, punt. De parallelle psychosociale onderbouwing kwam in het vonnis niet substantieel terug. Dat is precies hoe een bewijsconstructie tot stand komt, je legt de stukken die je nodig hebt op tafel en de rest leg je ernaast.
Ik ben geen agressief type. Mijn raadsman heeft dat in juni 2020 al expliciet in een verweer aan de familierechter geschreven, en die formulering is hij nadien nooit hoeven aanpassen. Maar er was wel een periode, in 2019 en 2020, waarin ik het gevoel had dat ik gek aan het worden was. Niet figuurlijk. Mensen in mijn omgeving hebben me door die nachten heen gepraat. Wie ooit een dossier tegen zich heeft zien opbouwen waarin elk argument dat hij aanvoert wordt herlezen als bewijs voor de tegenovergestelde stelling, weet hoe dat voelt. Sarcasme is in die nachten soms het enige instrument dat nog werkt. Maar het is geen weergave van wie ik ben, en het is ook geen agenda.
Tijdens zitting na zitting voelde ik me geen verdachte, maar een acteur in een rol die al was vergeven. Mijn ex gaf een betoog dat in de zaal hoorbaar werkte op de emoties van de aanwezigen. Mijn oudste dochter deed monotoon haar tekst. Wat me vooral bijbleef waren de vragen van de rechters, vreemd geformuleerd, en duidelijk gebaseerd op verklaringen die meer fantasie dan herinnering bevatten. Je zag ze denken: nou, daar móét hij wel antwoord op hebben. Het lastige is dat een man die ergens niet bij was, op een vraag over die niet-gebeurde scène ook niet kan antwoorden. Dan valt er een ongemakkelijke stilte in de zaal. Alsof men teleurgesteld was dat ik geen liveverslag kon geven van een scène die alleen in iemands hoofd bestond.
Ik heb me daar de ene keer goed door heen gewerkt en de andere keer minder goed. Wat ik er nu, in 2026, over zou zeggen is dat het systeem geen ruimte heeft voor de stilte van iemand die niet weet wat hij zou moeten zeggen omdat hij niet aanwezig was bij iets wat niet is gebeurd. Die stilte wordt automatisch gelezen als verzwakking, niet als argument.
Op 8 februari 2025 verscheen op TikTok, op een openbaar profiel: “You can win the battle (divorced parents). But I was wrong (feeling guilty about it).” Op andere posts reacties als “raggen? oeh kom maar”. Pubergedrag? Misschien. Maar het beeld van een getraumatiseerd kind is dit niet. Kijken wij terug? Direct geblokkeerd, en even later gaan ze vrolijk verder via een ander account.
Op de profielen staan verwijzingen naar Psalmverzen. Dat is, in zijn eigen registers, ook een signaal. Als je in een christelijk dorp wilt blijven functioneren met een rol die uitlegt waarom je je vader niet meer ziet, dan helpt zo’n verwijzing. God vergeeft tenslotte alles, zolang je er maar een geloofwaardige filter overheen legt.
De bijdrage van mijn oudste op zitting was emotieloos, afstandelijk. Alsof ze de tekst van een autocue oplas in standje slaapstand. Op TikTok zag ik iets heel anders. Geen zichtbaar trauma, wel korte rokjes en cryptische, soms ronduit sexistische teksten die eerder thuishoren in een emo-popnummer dan in een dossier over ernstig jeugdleed. Ik vermeld dit niet om een kind te beschadigen, ik vermeld het omdat het naast het dossier ligt en omdat het mee zou moeten wegen in het beeld dat instanties opbouwen van wat hier in de afgelopen jaren werkelijk is gebeurd.
Mijn kinderen verbreken sinds eind 2019 elk contact met mij. Ouderverstoting, in de letterlijke betekenis van het woord. Volgens hulpverleners is dit hooguit een “vechtscheiding”. Moeder hoeft daarvoor nooit iets te onderbouwen. We zien zwart op wit terug hoe moeder de kinderen aanstuurt, en hoe zij in telefoongesprekken werd ingezet om moeder te ondersteunen tegen mij. Een verplicht psychologisch onderzoek voor moeder? Alleen als je níet al jaren bij je eigen traumatherapeut loopt.
Sinds juni 2020 heb ik een nieuwe partner en vormen we samen een gezin met een dochter van inmiddels tien en een zoontje van vier. Geen incidenten, geen jeugdzorg aan de deur. Volgens de rechtbank irrelevant voor de strafzaak. Voor ons niet.
Zelfs in hoger beroep werd “wettig en overtuigend” bewijs geconstrueerd uit losse aanwijzingen. Een groot deel van het dossier is naar mijn beleving nooit grondig gelezen, koffiepauzes zijn ook belangrijk. In de zomer van 2024 is namens mij cassatie ingesteld, en in januari 2025 is de aanvullende cassatieschriftuur ingediend. De succesratio in cassatie is bekend, ongeveer één op tien. Maar gezien wat er aan onderbouwing nu opnieuw op tafel ligt, ligt de inzet hoger dan dat percentage suggereert.
Tot die uitspraak wacht ik, met twee jaar (min zes maanden) in het vooruitzicht, op iets wat in mijn beleving al jaren te lang op zich laat wachten.
Op mijn tijdlijn op LinkedIn verscheen een post van “de Rechtspraak” met de termen “onafhankelijk, onpartijdig, transparant”. Ik begrijp dat een instituut zichzelf moet positioneren. Ik begrijp ook dat de gemiddelde lezer op LinkedIn niet zit te wachten op nuance. Maar voor wie deze drie woorden ooit van dichtbij heeft mogen testen, voelt het profiel als satire die zichzelf niet als zodanig presenteert.
Maak ouderverstoting strafbaar. Dwing sancties af als ouders rechterlijke uitspraken negeren. Onderzoek beschuldigende ouders op persoonlijkheidsproblematiek vóórdat je kinderen eenzijdig toewijst. Eis bewijs, geen tranen. Luister naar beide partijen, ook als één van hen de emotionele toon minder beheerst. En geef de stilte van een verdachte die ergens niet bij was, niet automatisch de waarde van een bekentenis.
Gewoon een vader. Eén van velen. Ergens onderweg gedwongen tot hoofdrolspeler in een juridisch toneelstuk dat hij niet heeft geschreven. Mijn respect voor de rechtsstaat staat in een directe verhouding tot de diepte van deze farce, en dat is geen mooi getal. Als je denkt dat dit een eenzijdig verhaal is, oud-advocaat Frank Stadermann is een van de stemmen die in De Trueman Show podcast iets vergelijkbaars stelt, namelijk dat “de rechterlijke macht rot is tot op het bot”. Google maar. Hij is niet de enige.
Waarschijnlijk leest mijn ex dit ooit ook. Dat is haar goed recht. Ik heb in dit stuk geen wraakgevoelens willen uiten en niemand iets kwaads toegewenst. Wat ik wel doe is benoemen wat er gebeurd is, hoe het is verlopen, en welke onderdelen ervan ik op zijn minst opvallend vind in een rechtsstaat die zichzelf graag onafhankelijk, onpartijdig en transparant noemt.
Mijn leven staat weer grotendeels op de rit. Een nieuwe partner, twee kinderen erbij, werk, een huis. Aan het eind van veel rechtszaken, zo blijkt, is er gewoon nog een dag, en dan nog een. Soms denk ik, wat als ik je nooit had ontmoet. Soms denk ik, zonder dit hele verhaal had ik nooit geleerd te schrijven over iets wat er echt toe doet. Beide dingen zijn waar. Geen van beide brengt mijn jongste twee kinderen terug.
Tot het zover is, wacht ik op de Hoge Raad. En op de dag dat een rechter een dossier oppakt waarin de feiten passen bij wat ik er sinds 2019 over zeg.